Georgette over haar drukke oude dag

We kloppen aan bij Georgette Van Den Bogaert in Okegem. Een kranige dame opent enthousiast de deur. Haar brede glimlach wordt alleen maar versterkt door de kleurrijke bloemenpracht in haar voortuintje.

Met zoveel energie voor je, vergeet je dat Georgette al enkele kilometers op de teller heeft. In maart volgend jaar blaast ze 93 kaarsjes uit. Wij namen met haar plaats op de bank om het te hebben over de kunst van het leven. En over haar prachtige tuin natuurlijk.

   

Georgette, bedankt om ons te ontvangen. Wat een bloemenpracht in je voortuin.

“Dank je! Mijn tuin is echt mijn lang leven. Vorig jaar won ik met mijn voortuintje zelfs de tweede prijs voor de mooiste tuin van een sociale woning. Het doet deugd wanneer mensen zo hun blijk van appreciatie geven voor het vele werk dat ik erin steek. Maar ik doe het natuurlijk vooral voor mezelf. Het leven is al grijs genoeg, en dan zorgt een beetje kleur voor wat afleiding. En het houdt me ook actief. In een tuin is altijd wel ergens een klusje te doen.”

Heb je die groene vingers van thuis meegekregen?

“Neen. Maar toen ik vroeger nog in Brussel woonde, hadden we een klein boerderijtje in de Ardennen. Daar woonde beneden aan de berg een boer die ik altijd vragen stelde over hoe ik planten moest verzorgen. Hij heeft me leren tuinieren. Al ondervond ik wel dat boeren een andere kijk op die dingen hebben. Wanneer hij bij ons in de tuin kwam, stak hij vaak een handje toe. Maar die man had gigantische voeten waarmee hij al mijn bloemen vertrappelde. Toen ik hem daar op wees, zag hij geen probleem: “Die zijn toch niet om op te eten?” (lacht).”

Je doet alles ook nog steeds alleen?

“Natuurlijk (zeer overtuigd)! Enkel om het gras af te rijden, heb ik een persoonlijke knecht. (Georgette wijst naar een houten bak in de tuin.) Daar zit een maairobot in. Het gras afrijden ging niet meer zo makkelijk, de technologie bracht redding. Die robot zorgt ervoor dat mijn gazon er perfect bij ligt en ik heb er zelf geen omzien meer naar. Met de jaren ben ik wel wat pragmatischer geworden. Onlangs merkte ik dat aan de rand van het gras, net tegenover mijn keukendeur, een kropsla aan het groeien was. Ik denk van een verdwaald zaadje ofzo. Vroeger had ik die radicaal uitgetrokken. Maar nu denk ik: het is maar zo gemakkelijk dat hij
dichtbij staat voor als ik grote honger heb (lacht). Als je jonger bent kun je zo’n dingen minder relativeren, maar als je wat meer levenswijsheid verzameld hebt, dan zie je daar ook wel de charme van in.”

En het blijft niet bij tuinieren. Je bent geen stilzitter?

“Dat kun je wel zeggen. Ik maak nog steeds al mijn kleren. En ook schilderen en behangen heb ik altijd zelf gedaan. Je moet geen schrik hebben om nieuwe dingen te leren. Dat geeft je steeds nieuwe uitdagingen. Toen mijn zoon een huis kocht, ben ik gaan helpen met de verbouwingen. Zo heb ik leren metsen en voegen, heb ik er alles geverfd en behangen en heel de tuin mee aangelegd.”

Ben je oorspronkelijk van Ninove?

“Neen. Ik ben eigenlijk van overal en nergens (lacht). Ik ben geboren in Amiens in Frankrijk. Mijn familie is oorspronkelijk van Ternat en Sint-Katherina-Lombeek, maar door het werk van mijn grootvader reisden we veel. Mijn grootvader was immers steenkapper en hij was gespecialiseerd in het restaureren en herstellen van kerken. Dan ga je natuurlijk waar het werk je brengt. Hij was vooral actief in het noorden van Frankrijk. Vraag me niet aan welke kerken hij allemaal gewerkt heeft. Net voor de oorlog keerden we terug en vestigden we ons in Ninove. Ik weet nog dat het voor ons niet makkelijk was op school. Kinderen wilden niet met mij en mijn broertje spelen omdat we ‘vuile Fransmannen’ waren. Dat is echt hard als kind en dat heeft me wel getekend. Mijn broer en ik hebben daar echt van afgezien. We besloten toen radicaal om geen Frans meer te spreken.”

Het leven deed je daarna opnieuw uitvliegen?

“Ja, zo gaat dat. Ik leerde mijn eerste man kennen en die was kleermaker. Zijn familie had een winkel met mannenkleding in Brussel, aan het Anneessensplein. 18 jaar heb ik in Brussel gewoond, maar mijn man is vroeg overleden. Hij was maar 34. Na een tijdje leerde ik iemand nieuw kennen. Een chef-kok. Samen baatten we een restaurant uit in Roosdaal, dat is ondertussen ook weer meer dan 50 jaar geleden.”

Maar de lokroep van Ninove bleef?

“Mijn twee zussen woonden hier in Okegem. Ik woonde op een boerderijtje in Ninove, waar ik ook graag woonde, maar mijn zus woonde toen in een nieuwbouwwijk. Allemaal sociale woningen, met langs de hele lengte van de straat kerselaars. Dat was prachtig om te zien en daar wou ik ook wel wonen. Er kwam een huisje vrij en zo ben ik hier in 1989 terecht gekomen.”

Woon je hier graag?

“Ik woon heel graag in de wijk. Ik heb heel fijne buren en het is hier goed en rustig wonen. Toen ik op mijn 84e minder mobiel was na een meniscusoperatie, ging ik op zoek naar een kleiner huisje met minder of geen trappen. Gelukkig kwam dit huisje toen vrij en kon ik in de wijk blijven wonen. Mij krijg je hier niet weg (lacht). Ik heb nog steeds mijn tuintje maar kan helemaal gelijkvloers wonen. Dat biedt toch rust wanneer je een dagje ouder wordt. En ik heb natuurlijk ook mijn hondje Jack. Daar ga ik elke avond nog een wandelingetje mee doen. Ik heb ook nog een kat. Die slaapt de hele dag, maar wanneer ik met Jack ga wandelen, wandelt ze altijd mee. Ik denk dat de mensen in de buurt dat ook een vreemd zicht vinden (lacht).”

Met al jouw levenswijsheid: heb je nog een boodschap voor onze lezers?

“Dat is moeilijk. Ik zou vooral zeggen wees vriendelijk voor elkaar, wens mensen altijd een goeiedag en wees behulpzaam. En geniet vooral van het leven, want wanneer ze je draadje doorknippen is het gedaan!”